Geesten in de tuin van

Salon de Provence (1517)

 

In den beginne toen alles, wat oeroud is, al bestond

kwam de voorgeschiedenis op gang.

Het is waarschijnlijk de periode voor het begin

en oneindig ouder dan men ooit had durven dromen.

 

Oude mijn grootmoeder die ook tot

die voorgeschiedenis behoorde

herinner ik me in een lange zijtuin

die vele geheimen verborgen hield,

altijd moest ik op zoek gaan

naar de verborgen gladiooltjes

en als ik ze vond leerde ze me nieuwe regels.

 

Regels, die onverklaarbaar waren

aangezien ze geen logica bevatten,

in strijd met de wet van de natuur handelden,

tegen de chemie of de wereldse realiteit in,

doch immer, alles wat ze me vertelde,

nam ik aan als met een certificaat van echtheid.

 

De nachten van donder bracht ze door

in het bijzijn van haar geesten en stemmen

minuut na minuut, minuten die dagen leken,

eenzaam in haar slaapkamer,

de kamer die vol mystieke instrumenten

en diepzinnige perkamenten zat,

waar ik tweeëntwintig jaar later

met behulp van haar geschriften

mijn eerste enigmatische profetie schreef.

 

Studie nam ze bitter in de middag uren

en niemand wist waarvoor,

niet eens haar oudste dochter

de enige die haar kon personifiëren

en haar magische krachten ook bezat.

 

Kon ik maar door haar geschriften rustig bladeren

die vol tekeningen en recepten waren,

tekeningen die geen aardelingen afbeeldden,

maar martelwerktuigen die ik niet mocht aanraken

recepten die niets met koken te maken hadden,

toverdranken die ik niet mocht ruiken.

 

Ik dacht zij teleurgesteld zou zijn geweest

als ik haar leerde dat ik nimmer mocht geloven,

het was mij verboden door anderen volwassenen

maar tóch wist ze dat mijn diepste

de ontkenning niet kon volgen.

 

Treden, mocht ik in de slaapkamer nooit

vooral in nachten van storm niet want

alleen haar stemmen gingen mee,

fluisterden over mogelijke dimensies

en namen haar mee door spiegels, elders

waar niemand ooit was geweest.

 

Zij was in haar leven nooit bang,

ze had gevoeld de kou en de warmte

van andere nieuwe sterrenstelsels,

nooit had ze vrees gevoeld

zelfs niet toen Osiris voor haar ziel kwam

iets wat ik al voorspeld had,

sinds de lelies en de aronskelken in de tuin

naar de dood begonnen te ruiken.

 

Soms...

Kan ik nog steeds de stemmen horen

afkomstig van haar dichtgetimmerde slaapkamer

in de stille stormachtige nachten

dan weet ik dat haar geest daar woont

in de kelken van bloemtoppen hoog in de bomen

wanneer ze geleidelijk in beweging komen

terwijl het windstil lijkt en weeklachten tegen 

de tuinhekken en de pergola’s botsen.

 

Ook heb ik ze ooit kunnen zien…

haar geesten,

maar nooit toegesproken

en terecht, want dát,

dat verdien ik niet.

 

Geschreven door Art Proaño Gaibor
 

Copyright © 2003